Rapporten over natuurbegraven

Home/Rapporten over natuurbegraven
Rapporten over natuurbegraven 2017-04-03T00:49:58+00:00

Belangwekkend internationaal onderzoek

2016 Effecten van verstrooiing van crematieas in België.

2016 Engels literatuuronderzoek naar effecten van natuurbegraven.

2008 Effect van medicijnresten en overzicht van behandelingsperspectieven. Onder ‘brongerichte benadering’ een pleidooi voor preventie.

Belangwekkende rapporten over natuurbegraven in Nederland

2009 Terug naar de natuur

Terug naar de natuur is het enige relevante onderzoek naar natuurbegraven dat in Nederland heeft plaatsgevonden over natuurbegraven.

Het onderzoekt de mogelijke ecologische effecten en juridische aspecten van begraven, asverstrooien en urnbijzetting in natuurgebieden.

Geschreven door: J.G. de Molenaar (Alterra, later dr. J.G. de Molenaar, Bureau voor ecologisch onderzoek, advies en ecologische effectenstudies, Maurik), M.G. Mennen (RIVM, Bilthoven), F.H. Kistenkas (Alterra, Wageningen).

Alterra-rapport 1789
Alterra, Wageningen, 2009

In opdracht van het Ministerie van LNV.

 

April 2009 Reactie van Platform natuurbegraven in Nederland

Het Platform Natuurbegraven in Nederland (later BRANA) reageert op het rapport Terug naar de Natuur en laat dit weten op 14 april 2009 aan de minister van LNV mevrouw Verburg.

 

2012 Natuurmonumenten onderzoekt natuurbegraven

Natuurmonumenten laat onderzoek uitvoeren over natuurbegraven als verdienmodel. Het onderzoek is vertrouwelijk bedoeld, maar stond onbeschermd op internet.

 

2013 Inventariserend onderzoek over natuurbegraafplaatsen in Nederland

Onder toezicht van een commissie, waarin ook het Platform Natuurbegraven Nederland (later BRANA) zitting heeft, maakt Alterra in opdracht van staatsecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Een landelijke inventarisatie te maken van de 14 op dat moment bestaande natuurbegraafplaatsen in Nederland.

Alterra-rapport 2470
Alterra, Wageningen 2013

Dit onderzoek is uitgevoerd door Alterra Wageningen UR in opdracht van en gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken (projectnummer 5239961-01).